|

In de tijd toen het Twente- Rijn kanaal gegraven werd, en men met de bouw van de sluis bezig was, veranderde er wel wat aan de omgeving.
Er was namelijk aan de Boortorenlaan ter hoogte van het spoor viaduct een nieuwe sloot gegraven, waar in tegenstelling met de Berflobeek, waar dat vieze blauwe verfwater in stroomde, heerlijk helder schoon water in stroomde. Waar dit water vandaan kwam, en waar het naar toe stroomde, weet ik op de dag van vandaag nog niet. In deze sloot waar wij als jongens heerlijk konden spartelen, stonden wij tot aan ons middel in het water. Vele jaren na de oorlog ben ik nog een keer terug geweest bij deze sloot maar toen was hij overwoekert met allerlei planten.
Op een gegeven moment waren er niet veel jongens meer die naar die sloot toegingen en op de vraag waar zijn ze toch allemaal, kreeg ik te horen dat ze naar de petroleumhaven waren gegaan. Ik ben daar naar toe gefietst en wat bleek, er was een steigertje gebouwd vanaf de kant met een soort duikplank aan het eind, waarvan men in het water sprong of dook. En het was er s’avonds nog druk ook. Zonder er verder bij na te denken kleedde ik mij uit, zwembroek aan en sprong ik van de plank af. Toen ik in het water kwam, bleek het dat het kanaal toch wel ietsje dieper was dan in dat slootje. Toen ik boven kwam zwom ik als een hondje naar de kant, ging weer naar de duikplank, sprong of dook weer in het water en zo ging dat maar door.
Ik heb er geen moment aan gedacht dat ik voor het zelfde geld ook had kunnen verdrinken. Noem het maar jeugdige onbezonnenheid. Ik had steeds tegen mijn moeder verteld, dat ik altijd naar dat slootje ging. Maar toch had iemand aan mijn moeder verteld dat ik in het kanaal zwom, want op een avond stond zij samen met mijn tante op de wal naar mij te kijken. Mede oudere zwemmers stelden mijn moeder gerust, met de woorden die jongen is net een waterrat, laat die maar schuiven. Er werd toen s’avonds wel een hartig woordje gesproken, maar het einde van het liedje was dat het beter was voor mij om zwemles te krijgen en een diploma te halen. Maar dat gebeurde pas een jaar later op 29 Juni 1937.
Hengelo had in die tijd drie zwembaden. Fietste men over de Beukweg tot aan de Sloetsweg, dan ging de Beukweg over in een zandweg die Uitslagweg heette. Ging men die ook af dan kwam men bij een kruising en rechtsaf heette het dan Castorweg. Een eind verderop had men aan weerszijden een kleigat waar de klei uitgegraven was ten behoeve van een steenfabriek aan de Sloetsweg. Van deze kleigaten had men zwembaden gemaakt Aan de rechterkant was “Het Castorbad" en aan de linkerzijde "Het Weusthag". Maar op het tuindorp daar was een veel mooier bad. Deze was in opdracht van "Mijnheer Stork" aangelegd voor het personeel van Stork, Dikkers, Hazemeijer en de katoen spinnerij. Zij konden voor gereduceerd tarief goedkope seizoenkaarten krijgen, en via via kreeg ik in1937 ook zo’n kaart.
Je kon toen niet de hele dag daar zwemmen want er was een bepaalde tijd voor vrouwen en meisjes en op andere tijden voor mannen en jongens, en er was ook nog tijd voor gemengd zwemmen, maar alleen voor echtparen die op het stadhuis het boterbriefje gehaald hadden. En niet te vergeten Badmeester Dokter. In de winter was hij portier bij Stork en ‘s zomers dus badmeester. En van hem kreeg ik zwemles. De handen aan het plankier en met je benen ging het buigen, spreiden sluiten. Wanneer je dat tot tevredenheid kon, dan ging je in de hengel om ook je armen mee te laten doen. Als alles naar behoren werkte, dan mocht je in het diepe. Op 29 Juni 1937 mocht ik af zwemmen, 60 meter schoolslag en 30 meter rugslag en 20 meter gekleed. En als je niet kopje onder gegaan was, dan was je geslaagd. Toen kreeg ik het diploma uitgereikt, wat ik tot de dag van vandaag in mijn bezit heb.

Reacties
 |